dinsdag 15 februari 2011

Colette

~Oké. Ik verwaarloos James.. Maar goed x3~

Toen we eindelijk thuis waren gekomen, ging ik meteen als een balletje op de bank zitten. 'Hoe was.. Oké. Laat ook maar.' zei Liv. Verstandige keuze. Ze maakte thee voor ons beiden, met de overgebleven cupcakes van gister. Het smaakte me niet. Het was stil in het huis. Volgens mij durfde Liv niets te zeggen. Ze was niet erg goed met moeilijke situaties, dat was me al eerder opgevallen. Na een hele lange tijd van stilte ging de deur opeens krakend open. Sharon's hoofd kwam opeens vragend de deur om. 'Oh, hallo.' zei Liv met een glimlach. Sharon glimlachte ook en kwam toen helemaal de kamer in. Ze had een joggingbroek aan en een trui en haar haren zaten in een simpele knot. Ik glimlachte even flauwtjes naar haar. Ze had vast door dat er iets mis was met me. Volgens mij was dat namelijk écht overduidelijk. Sharon kwam naast me op de bank zitten en Liv begon een koetjes en kalfjes verhaal met haar. Ze praatten met z'n tweeën en ik hield me op de achtergrond. Ik kon zien dat Sharon zich totaal niet op haar gemak voelde. Ik nam nog een slokje van mijn thee en zetten toen de mok aan de kant. Ik sloeg mijn armen om mijn knieën en leunde tegen de leuning van de bank. Sharon en Liv hadden het over een concert van een of andere band die ze beiden kenden. Daarna ging het gesprek al gauw over op 'de ideale appeltaart'. Normaal had ik hier best over mee willen praten. Maar vandaag was alles wat niet over dieptrieste dingen ging onzin. Ik wilde niet vrolijk met ze meedoen. Ik wilde verdrinken in mijn zelfmedelijden. Ik had het gevoel dat niemand me snapte. Ik stond op en liep zonder iets te zeggen door naar boven. Ik ging op bed liggen en pakte mijn iPod. Ik ging zo opgekruld liggen als maar mogelijk was en luisterde naar mijn favoriete muziek. Ik had mijn ogen dicht en voelde de tranen over mijn wangen stromen.

Wiliam

Het strand ligt er vredig bijj, en ook de zee kabbelt rustig. Het voelt vertrouwt aan. Ik zit ergens in een kleine rots met uitzicht op de zee en het strand. Ik voel me anders dan normaal. En het is zelfs zo erg dat ik het niet kan verwoorden. Ik stotter en kan de juiste woorden niet vinden, dit betekent niet veel goeds. Ik heb geen idee waar dit gevoel ineens vandaan komt. Maar één ding weet ik wel, hoe dichter ik bij Colette in de buurt kom, hoe heviger het gevoel is. Het voelt goed. Maar door het sterke gevoel kom ik nog minder goed uit mijn woorden. En dit moet ik niet hebben in haar buurt. Wat moet ze wel niet van me denken. Dan wordt het ineens; die ene stotteraar. Een bijnaam die ik het liefst niet wil dragen. Het voelt niet goed zo'n bijnaam. Ik wil hier nooit meer weg, ik wil niet naar huis. Het lege kale huis waar de witte muren kil op mij wachten. Laat James maar lekker met haar kletsen, als hij meer wil dan dat vind ik het ook best. Oké dat zeg ik nu wel zo, maar zo voel ik het niet. Tenminste nu eerst nog niet. Ik wil haar no matter what. Al moet ik er letterlijk voor vechten. Al moet ik mensen doden; zolang ik haar maar kan krijgen. Maar nu heb ik eerst dat vreemde gevoel. Dat gevoel laat me dingen doen die ik anders nooit zou doen. De zee neemt een ongerustheid over het gevoel ook niet weg. Ik wil niet dat het is wat ik denk dat het is. Hoe moet het als ik ze erachter komt dat ik een vampier ben. Dan komen de hogere machten mij opzoeken om mij te vermoorden om niet de rest van de vampiergemeenschap te verlinken. De mens is onze grootste bedreiging. Zonder de mens kunnen wij niet leven, en samen met de hogere machten kunnen de mensen ons vermoorden. En datgene waar iedereen wel laconiek over doet met de houten kruizen, en knoflook, dat is juist datgene waar wij vampiers niet over kunnen. Maar omdat iedereen dat weet, zal dat vaak ook het aller eerste zijn wat de mens probeert te doen om ons te bestrijden. Maar zover is het nog niet. Oh ja, ik zat te bedenken hoe het nou moest als Colette erachter komt dat ik niet ben wat zij denkt dat ik ben. Ik wordt er onzeker van. En doordat ik weer steeds meer onzeker wordt, wordt het gevoel ook steeds sterker. Dat gevoel. Ik weet geen andere goede benaming. Dat gevoel laat me dingen zeggen die ik juist niet wil zeggen en laat me de dingen die ik wil zeggen niet zeggen. Het gevoel zit me in de weg. Maar ik weet niet of het nou negatief is. Is dit gevoel verliefdheid? Ben ik nou echt verliefd? Nee, toch? Kan een vampier überhaupt verliefd worden?

maandag 14 februari 2011

Colette

Die avond was ik nogal verdwaasd. De hele avond. Ik verwonderde me er ontzettend over dat Chris gewoon dronken was geweest. Drónken. Chrís. Dit was echt niet normaal. Ik had de telefoon laten vallen en was door mijn benen gezakt. Ik was begonnen met huilen en Liv had me getroost. Ze had de hele avond bij me gezeten en we hadden samen tot na twaalven beneden gezeten, zonder iets te zeggen. Het was niet alleen het feit dat Chris was veranderd, of hoe ik het ook moest noemen. Het was het hele contact met thuis. Het huilen van Carice.. Chris' stem. Het was gewoon een kwelling voor me geweest. Ik was thuis langzaam maar zeker aan het loslaten, maar nu kwam het als een sloophamer terug. Toen het dertien minuten voor een was, ging ik naar boven. Ik liet me op mijn bed vallen, en huilde daar verder. Ik bleef huilen totdat het ochtend was en ik weer naar school moest. Mijn ogen waren rood en ik wist dat ik dat niet zou kunnen veranderen. Liv keek me even aan met een medelijdende blik en sloeg toen een arm om me heen. Ik drukte me even tegen haar aan. Ik wist dat ze me niet begreep. Niet echt tenminste. Ik begreep alleen mezelf. Niemand kon snappen hoe ik me nu voelde, ookal dachten ze zelf misschien dat ze dat wel deden. Ik at met moeite een broodje en Liv bood me aan om me naar school te brengen. Dat nam ik aan. Graag zelfs. Ik moest er niet aan denken om nu met al die zweterige mensen in een bus te zitten. We gingen naar school en ik bracht de rest van de dag in mijn eentje door. De zon scheen vandaag voor het eerst in tijden en ik ging buiten zitten, op het gras onder een boom. Toch nog in de schaduw. Toen kwam er een van de jongens van gister bij me zitten. De jongen met het zwarte haar en de blauwe ogen. James, heette hij. Het viel me op dat ze vandaag lichtblauw waren. Ik dacht toch echt dat ze gister nog donkerblauw waren geweest. Ik besteedde er niet veel aandacht aan. Hij zat bij me en zei niets. Ik vond het niet erg. Waarschijnlijk kon je nog steeds zien dat ik had gehuild. Ik vroeg me af waar Wiliam was. Waarom vroeg ik me dat eigenlijk af? Vond ik Wiliam aardiger dan James? Ik kende ze nog niet lang, ik kon ze nog niet echt aardig vinden. Maar ik vond James' aanwezigheid wel erg fijn. Ik zag er vast uit als een zombie. Dat wist ik wel zeker. Ik sleepte me op een of andere manier door de dag heen en ik was ontzettend blij toen ik Liv's oude blauwe pick-up truck weer zag staan toen de school was afgelopen. Ik kon weer naar huis, al twijfelde ik er nu meer dan ooit aan of ik het ooit thuis zou kunnen noemen.

Sharon

Ik voel me klote als ik weer thuis kom. Het is waarschijnlijk de nasleep van het flauwvallen en mijn avontuur in het ziekenhuis. Ik heb geen idee wat de gevolgen kunnen zijn en wat er uit het onderzoek kan komen, maar dat hoor ik ter zijner tijd wel. Mijn eerste zorg is opknappen zodat ik overmorgen hoop ik weer naar school kan. Morgen zal ik maar niet zeggen, want ik weet dat de deuropening dan door twee mensen versperd wordt. Maar zelf vind ik het ook niet erg. Het bed ligt echt heel fijn en ik val snel in slaap. Even later komt Colette bij mij op de kamer met wat thee en cakejes. Ik ontwaak langzaam uit mijn diepe slaap, maar als ik het lekkere eten zie ben ik gelijk goed wakker. Ik heb vandaag nog amper eten gehad, alleen bij het ontbijt heb ik een sneetje wit brood gehad en een kop thee. De rest van de dag zat ik in het ziekenhuis, en ten behoeve van het onderzoek was het beter dat ik niet ging eten. Anders konden ze niet alle onderzoeken bij mij uitvoeren en moest ik nog veel langer wachten. Ik ga op de rand van het bed zitten en klop naast me. Colette gaat ook zitten, en samen kletsen we nog lang. Het voelt goed om met Colette te praten. We kennen elkaar nog niet lang, maar er ligt geen drukkend iets tussen ons dat ons ervan weerhoudt niet met elkaar om te gaan. Heerlijk helder ben ik ook weer in het uitdrukken van dingen, maar ik weet gewoon even niets anders. Om half tien wordt ik toch echt wel weer heel moe en ik ga voorzichtig weer liggen. Als ik de verhalen van Colette van de volgende ochtend moet geloven lag ik binnen vijf minuten diep te slapen, en dan ook zodanig dat ik heel hard snurkte. Shit, denk ik bij mezelf. Nu weet ze iets van mij wat ik niet wil dat ze weet. Ik schaam mij zeer diep. Echt abnormaal hoeveel geluid ik 's nachts maak. Waarom dacht je dan ook dat ik amper jongens kan krijgen. Iedereen die dit van me weet, weet dat ze maar niet bij mij in de buurt moeten komen 's nachts, en wat is een relatie waard als je niet bijelkaar kunt zijn op alle momenten van de dag (en nacht). Ik dwaal af. Ik voel me nu weer even veel beter, maar ik weet dat ik nog niet helemaal ben. Als ik wakker ben, om negen uur, staat er al een ontbijtje naast mijn bed, met een briefje van Liv en Colette. Ze zorgen gelukkig goed voor mij. Liv is thuis aan het werken en Colette heeft het over dat ik ontzettend snurk (alsof ik dat nog niet wist). Ze zijn erg aardig voor me, en het voelt bijna alsof ik hier een veilige thuishaven heb. Beter, en veiliger als bij mij thuis. Maar ik moet niet zo denken, want mijn "ouders" hebben ook heel erg goed voor mij gezorgd.

donderdag 10 februari 2011

Colette

Ik had op de terugweg echt heel vaak aan Sharon gevraagd of het echt wel goed met haar ging. Ze had me steeds gezegd dat het prima met haar ging, maar toch was ik erg bezorgd. Eigenlijk vond ik het best eng. Ik kende Sharon nog helemaal niet lang, maar ik begon me al echt heel erg aan haar te hechten. Ik begon haar gewoon al als een vriendin te zien. Dat had ik normaal echt niet zo snel. Normaal maakte ik ook gewoon geen vrienden. Toen Sharon had gegaapt toen we thuis waren had Liv haar meteen naar boven gestuurd. Ze was ook erg moe, want ze ging meteen zonder te protesteren. Ik bleef beneden zitten, samen met Liv. We dronken samen thee en Liv had allemaal High Tea koekjes en taartjes gehaald die ochtend. Ook bracht ik nog een kop thee naar Sharon, samen met muffins en koekjes. Toen ik bij haar binnen kwam, sliep ze nog of deed ze alsof. Maar toen was ze kennelijk toch wakker en kletsten we nog even over school en over ons leven thuis. Ik zei nog steeds niets over Frankrijk. Waarom zei ik dat niet? Had ik trauma's aan Frankrijk? Misschien wel.. Maar toch wilde ik nog steeds terug. Of was dat niet waar? Wilde ik nog terug? Ik wist het niet precies. Ik heb nog een tijdje met Sharon zitten praten, totdat Liv me weer naar beneden riep. Daar ging ik op de bank zitten om mijn boek verder te lezen. The Vampire Diaries. Ik was al bezig met hoofdstuk zeven van boek drie toen de telefoon opeens ging. Ik keek naar Liv maar die stond al op en liep naar de oude telefoon. Het was bijna een antiek toestel. Hij was niet mobiel en had zelfs nog een draaiknop. Maar hij deed het en hij zag er cool uit, en daar ging het om. Liv nam op en ik zag dat ze verrast was door de persoon die belde. Ik keek naar haar en lette niet meer op mijn boek. 'Maar.. Ik snap het niet.. Waarom bel je dan? Colette? Ja, Colette is hier.' Ik weet niet waarom maar ik trilde ineens. Ik had mijn boek al weggelegd en bleef als versteend zitten. 'Oké.. Ik roep haar wel..' zei Liv en ze wenkte me. Ik stond nogal wankel op en liep naar de telefoon. Ik pakte hem over van Liv en keek haar even aan. Ze haalde haar schouders op. 'Hallo?' zei ik zachtjes. Ik hoorde opeens een meisje huilen aan de andere kant van de lijn. Ik herkende dit meisjesstemmetje. Heel erg goed zelfs. Er schoot een brok in mijn keel. 'Car?' zei ik zachtjes. 'Carice?' 'Co-Colette?' zei het meisje zwakjes. 'Wat is er?' zei ik. Ik wilde niet weten wat er was.. 'Ch-Chris is.. En mama is..' Ik leunde op het dressoir waar de telefoon op stond. 'Carice, vertel rustig wat er is gebeurd?' zei ik nogal serieus in het Frans. 'Chris is net we-weggelopen. E-En mama is er ook niet. En ik behen alleeheen.' huilde het meisje aan de andere kant van de lijn. Ik slikte even. Chris zou Carice nooit in de steek laten. Dat mama dat nou deed.. Oké. Dat kwam vaker voor na.. Nou ja. Na papa. Maar Chris.. Chris voelde zich altijd erg verantwoordelijk voor Carice. En dat hij nu zomaar weg was gelopen.. Het was raar.. Carice huilde nog steeds aan de andere kant van de lijn. Ik probeerde haar gerust te stellen, maar het werkte nou niet helemaal. Toen hoorde ik de deur open en dicht gaan aan de andere kant en een jongensstem iets zeggen. 'Car?' vroeg hij. Hij klonk niet als zichzelf. Hij klonk alsof hij iets gebruikt had. Iets had gedronken. Toen hoorde ik iets vallen. Het was waarschijnlijk de telefoon, want de klap was nogal hard. 'Chris?' zei ik nogal geschokt. 'Huh? Colette? Heb je Colette gebeld? Waarom dan? Huh?' hoorde ik Chris wat lacherig zeggen. Carice huilde nog steeds op de achtergrond. Ik hoorde hoe de telefoon werd opgepakt en hoe er iemand nogal zwaar in ademde. 'Hé, Col. Is het leuk daar in Engeland?' zei hij met dubbele tong. 'Chris.. Heb je gedronken?' zei ik verbaasd. Chris dronk niet. Chris was verantwoordelijk. Dit was Chris niet. Na een tijdje adem te halen antwoorde hij. 'Maak je maar niet druk. Alles komt goed. Het is hier allemaal prima. Doeg.' Tuut tuut tuut.

dinsdag 8 februari 2011

Wiliam

Nadat we het ziekenhuis hebben verlaten, en Colette hebben achtergelaten bij haar tante en Sharon stap ik weer samen met James in zijn auto. Ik haal mijn neus op. Er hangt hier een vreemd en zeer herkenbaar luchtje. ‘Wat heb je gedaan in de tijd dat je weg liep en ik achter bleef bij Colette?’ ‘Ik heb even een kleine voorraad aangelegd, omdat jij vegetariër wilt worden weet je nog wel? Dit is voor jouw eigen bestwil dat ik even wat bloed heb meegenomen uit het ziekenhuis. Het is er toch in overvloed. Thuis begon mijn voorraad in de kelder op te raken.’ Ik voel me nog steeds niet goed bij het idee dat we vele liters bloed in onze auto hebben liggen, maar ik moet. Het is stom om nu uit te stappen dus laat ik me maar vervoeren. Aangekomen bij het huis zorg ik dat ik weg kom. Het voelt zo verkeerd. Hij doet het voor mij, en dat maakt het nog minder aangenaam. We zijn strafbaar. We hebben bloed gestolen van mensen die het heel hard nodig hebben. Veel harder dan dat wij het nodig hebben. Van mensen die op sterven liggen. Ik hoop bij mezelf dat James niet willekeurig bloed heeft uitgezocht, maar vooral oud bloed of bloed uit een veelvoorkomende bloedgroep. Ik durf het niet te vragen omdat ik bang ben dat hij ziet dat ik het er eigenlijk niet mee eens ben. En dan moet niet. James doet altijd al zoveel voor mij, hij is er voor mij als ik weer eens een moeilijkere periode heb. En dat gebeurt vaak. Ik zit er vaak wel vier tot vijf dagen per week doorheen zodat ik het even helemaal niet meer zie zitten. Het liefst zou ik dan gewoon vertrekken naar de wildernis. Ik heb een vriend, Dean, en hij woont ergens in een verlaten huisje aan de kust. Hij heeft daar een lege kamer staan en ik mag altijd bij hem komen logeren. Ik heb zelfs de sleutel van zijn huisje omdat ik daar de laatste tijd steeds regelmatiger kom. Ook nu is het weer zover. Ik moet weg uit deze wereld, uit dit dorp, uit deze omgeving. School regel ik later wel. Dat is nu even helemaal niet belangrijk. Mijn tas staat altijd klaar, niet dat ik veel mee hoef te nemen maar het is vooral om een illusie te wekken bij Dean. Hij weet het niet van mij, en ik wil het eerst ook zo houden. Ik kan me eerst nog goed inhouden, en ik neem wel enkele van de bloedtabletten mee die ik nog over heb. Nog geen half uur later stap ik in de trein richting de kust van Wales.

zondag 6 februari 2011

James

We liepen met z'n drieën de wachtkamer in. Ik liep achterop. Colette rende bijna en keek koortsachtig om zich heen. Toen ze Sharon zag zitten liep ze snel op haar af. Wiliam volgde haar. Ik twijfelde even. En ging er toen vandoor. Ik moest nog iets regelen hier, zoals ik al gezegd had. Ik vloog de hoek om en keek op de bordjes om te zien waar ik naartoe moest. Kinderafdeling. Nee. Oncologie. Nee. Intensive care. Nope. Waar was die vervloekte afdeling? Toen zag ik iets interessants. Ik was in een uithoek gekomen van het ziekenhuis waar geen kamers meer waren. Dit was vast waar ik moest zijn. Ik liep zo snel dat niemand me kon zien. Toen zag ik een deur waar in grote letters: Bloedbank op stond. Ik grijnsde. Toen zag ik dat de deur op slot zat. Je moest met een pasje de deur open doen. Ik hoopte dat ik nog genoeg kracht had om gedachten te kunnen beïnvloeden. Het was al een tijdje geleden dat ik had gegeten. Ik begon te zoeken naar iemand waarvan ik verwachtte dat diegene een sleutel had. Dat duurde niet lang. Het was een jonge arts, eind twintig gokte ik. Ik liep op haar af. Ze leek totaal verbaasd dat ik hier liep. Ik keek diep in haar ogen en begon met mijn hypnose. Ik zei haar dat ze me de sleutel moest geven, en natuurlijk deed ze dat. Toen vertelde ik haar dat ze moest vergeten wie ik was. Ze knikte dat ze het had begrepen en ik pakte de sleutel van haar over. Toen liep ik terug naar de deur en deed het pasje in de gleuf. De deur ging met een klik open en ik voelde een koude windvlaag. Ik rook het bloed eerder dan dat ik het zag. Het was een enorme koelkast met allemaal verschillende bakken waar zakken met bloed in zaten. Ze konden vast wel wat missen. De reden dat ik dit deed was dat ik wist dat Wiliam geen mensen meer wilde aanvallen. Hij had dit nodig. Op bloedtabletten kon je niet leven, tenminste niet voor lang. Ik liep de koelkast in en zocht wat goeds uit. Ik nam een bak mee en liep weer naar buiten. Ik sloot de deur en nam het kaartje mee. Die zou me vast nog wel eens van pas komen. Toen rende ik naar de auto en stopte de bak erin. Daarna liep ik weer nonchalant naar het ziekenhuis. In totaal had dit ongeveer vijf minuten geduurd. Wiliam keek me even vragend aan, maar ik schudde mijn hoofd. Vragen konden later. Ik zag hoe Colette een discussie had met een wat oudere dame over of ze wel of niet naar school moest. Colette won, zo te zien. Sharon probeerde ondertussen de hele tijd om niet mijn kant op te kijken. Niet veel later vertrokken we apart van elkaar. Wiliam stapte bij mij in de auto. Ik had geen zin meer om naar school te gaan en eigenlijk was het de moeite ook niet meer. We reden naar huis. Wiliam stelde een vraag over de geur die in de auto hing. Het was bloed. Ik vertelde hem wat ik had gedaan in het ziekenhuis en toen we thuis waren legde ik het bloed in een grote koelkast in de kelder. We hadden vooraad.