dinsdag 15 februari 2011

Colette

~Oké. Ik verwaarloos James.. Maar goed x3~

Toen we eindelijk thuis waren gekomen, ging ik meteen als een balletje op de bank zitten. 'Hoe was.. Oké. Laat ook maar.' zei Liv. Verstandige keuze. Ze maakte thee voor ons beiden, met de overgebleven cupcakes van gister. Het smaakte me niet. Het was stil in het huis. Volgens mij durfde Liv niets te zeggen. Ze was niet erg goed met moeilijke situaties, dat was me al eerder opgevallen. Na een hele lange tijd van stilte ging de deur opeens krakend open. Sharon's hoofd kwam opeens vragend de deur om. 'Oh, hallo.' zei Liv met een glimlach. Sharon glimlachte ook en kwam toen helemaal de kamer in. Ze had een joggingbroek aan en een trui en haar haren zaten in een simpele knot. Ik glimlachte even flauwtjes naar haar. Ze had vast door dat er iets mis was met me. Volgens mij was dat namelijk écht overduidelijk. Sharon kwam naast me op de bank zitten en Liv begon een koetjes en kalfjes verhaal met haar. Ze praatten met z'n tweeën en ik hield me op de achtergrond. Ik kon zien dat Sharon zich totaal niet op haar gemak voelde. Ik nam nog een slokje van mijn thee en zetten toen de mok aan de kant. Ik sloeg mijn armen om mijn knieën en leunde tegen de leuning van de bank. Sharon en Liv hadden het over een concert van een of andere band die ze beiden kenden. Daarna ging het gesprek al gauw over op 'de ideale appeltaart'. Normaal had ik hier best over mee willen praten. Maar vandaag was alles wat niet over dieptrieste dingen ging onzin. Ik wilde niet vrolijk met ze meedoen. Ik wilde verdrinken in mijn zelfmedelijden. Ik had het gevoel dat niemand me snapte. Ik stond op en liep zonder iets te zeggen door naar boven. Ik ging op bed liggen en pakte mijn iPod. Ik ging zo opgekruld liggen als maar mogelijk was en luisterde naar mijn favoriete muziek. Ik had mijn ogen dicht en voelde de tranen over mijn wangen stromen.

Wiliam

Het strand ligt er vredig bijj, en ook de zee kabbelt rustig. Het voelt vertrouwt aan. Ik zit ergens in een kleine rots met uitzicht op de zee en het strand. Ik voel me anders dan normaal. En het is zelfs zo erg dat ik het niet kan verwoorden. Ik stotter en kan de juiste woorden niet vinden, dit betekent niet veel goeds. Ik heb geen idee waar dit gevoel ineens vandaan komt. Maar één ding weet ik wel, hoe dichter ik bij Colette in de buurt kom, hoe heviger het gevoel is. Het voelt goed. Maar door het sterke gevoel kom ik nog minder goed uit mijn woorden. En dit moet ik niet hebben in haar buurt. Wat moet ze wel niet van me denken. Dan wordt het ineens; die ene stotteraar. Een bijnaam die ik het liefst niet wil dragen. Het voelt niet goed zo'n bijnaam. Ik wil hier nooit meer weg, ik wil niet naar huis. Het lege kale huis waar de witte muren kil op mij wachten. Laat James maar lekker met haar kletsen, als hij meer wil dan dat vind ik het ook best. Oké dat zeg ik nu wel zo, maar zo voel ik het niet. Tenminste nu eerst nog niet. Ik wil haar no matter what. Al moet ik er letterlijk voor vechten. Al moet ik mensen doden; zolang ik haar maar kan krijgen. Maar nu heb ik eerst dat vreemde gevoel. Dat gevoel laat me dingen doen die ik anders nooit zou doen. De zee neemt een ongerustheid over het gevoel ook niet weg. Ik wil niet dat het is wat ik denk dat het is. Hoe moet het als ik ze erachter komt dat ik een vampier ben. Dan komen de hogere machten mij opzoeken om mij te vermoorden om niet de rest van de vampiergemeenschap te verlinken. De mens is onze grootste bedreiging. Zonder de mens kunnen wij niet leven, en samen met de hogere machten kunnen de mensen ons vermoorden. En datgene waar iedereen wel laconiek over doet met de houten kruizen, en knoflook, dat is juist datgene waar wij vampiers niet over kunnen. Maar omdat iedereen dat weet, zal dat vaak ook het aller eerste zijn wat de mens probeert te doen om ons te bestrijden. Maar zover is het nog niet. Oh ja, ik zat te bedenken hoe het nou moest als Colette erachter komt dat ik niet ben wat zij denkt dat ik ben. Ik wordt er onzeker van. En doordat ik weer steeds meer onzeker wordt, wordt het gevoel ook steeds sterker. Dat gevoel. Ik weet geen andere goede benaming. Dat gevoel laat me dingen zeggen die ik juist niet wil zeggen en laat me de dingen die ik wil zeggen niet zeggen. Het gevoel zit me in de weg. Maar ik weet niet of het nou negatief is. Is dit gevoel verliefdheid? Ben ik nou echt verliefd? Nee, toch? Kan een vampier überhaupt verliefd worden?

maandag 14 februari 2011

Colette

Die avond was ik nogal verdwaasd. De hele avond. Ik verwonderde me er ontzettend over dat Chris gewoon dronken was geweest. Drónken. Chrís. Dit was echt niet normaal. Ik had de telefoon laten vallen en was door mijn benen gezakt. Ik was begonnen met huilen en Liv had me getroost. Ze had de hele avond bij me gezeten en we hadden samen tot na twaalven beneden gezeten, zonder iets te zeggen. Het was niet alleen het feit dat Chris was veranderd, of hoe ik het ook moest noemen. Het was het hele contact met thuis. Het huilen van Carice.. Chris' stem. Het was gewoon een kwelling voor me geweest. Ik was thuis langzaam maar zeker aan het loslaten, maar nu kwam het als een sloophamer terug. Toen het dertien minuten voor een was, ging ik naar boven. Ik liet me op mijn bed vallen, en huilde daar verder. Ik bleef huilen totdat het ochtend was en ik weer naar school moest. Mijn ogen waren rood en ik wist dat ik dat niet zou kunnen veranderen. Liv keek me even aan met een medelijdende blik en sloeg toen een arm om me heen. Ik drukte me even tegen haar aan. Ik wist dat ze me niet begreep. Niet echt tenminste. Ik begreep alleen mezelf. Niemand kon snappen hoe ik me nu voelde, ookal dachten ze zelf misschien dat ze dat wel deden. Ik at met moeite een broodje en Liv bood me aan om me naar school te brengen. Dat nam ik aan. Graag zelfs. Ik moest er niet aan denken om nu met al die zweterige mensen in een bus te zitten. We gingen naar school en ik bracht de rest van de dag in mijn eentje door. De zon scheen vandaag voor het eerst in tijden en ik ging buiten zitten, op het gras onder een boom. Toch nog in de schaduw. Toen kwam er een van de jongens van gister bij me zitten. De jongen met het zwarte haar en de blauwe ogen. James, heette hij. Het viel me op dat ze vandaag lichtblauw waren. Ik dacht toch echt dat ze gister nog donkerblauw waren geweest. Ik besteedde er niet veel aandacht aan. Hij zat bij me en zei niets. Ik vond het niet erg. Waarschijnlijk kon je nog steeds zien dat ik had gehuild. Ik vroeg me af waar Wiliam was. Waarom vroeg ik me dat eigenlijk af? Vond ik Wiliam aardiger dan James? Ik kende ze nog niet lang, ik kon ze nog niet echt aardig vinden. Maar ik vond James' aanwezigheid wel erg fijn. Ik zag er vast uit als een zombie. Dat wist ik wel zeker. Ik sleepte me op een of andere manier door de dag heen en ik was ontzettend blij toen ik Liv's oude blauwe pick-up truck weer zag staan toen de school was afgelopen. Ik kon weer naar huis, al twijfelde ik er nu meer dan ooit aan of ik het ooit thuis zou kunnen noemen.

Sharon

Ik voel me klote als ik weer thuis kom. Het is waarschijnlijk de nasleep van het flauwvallen en mijn avontuur in het ziekenhuis. Ik heb geen idee wat de gevolgen kunnen zijn en wat er uit het onderzoek kan komen, maar dat hoor ik ter zijner tijd wel. Mijn eerste zorg is opknappen zodat ik overmorgen hoop ik weer naar school kan. Morgen zal ik maar niet zeggen, want ik weet dat de deuropening dan door twee mensen versperd wordt. Maar zelf vind ik het ook niet erg. Het bed ligt echt heel fijn en ik val snel in slaap. Even later komt Colette bij mij op de kamer met wat thee en cakejes. Ik ontwaak langzaam uit mijn diepe slaap, maar als ik het lekkere eten zie ben ik gelijk goed wakker. Ik heb vandaag nog amper eten gehad, alleen bij het ontbijt heb ik een sneetje wit brood gehad en een kop thee. De rest van de dag zat ik in het ziekenhuis, en ten behoeve van het onderzoek was het beter dat ik niet ging eten. Anders konden ze niet alle onderzoeken bij mij uitvoeren en moest ik nog veel langer wachten. Ik ga op de rand van het bed zitten en klop naast me. Colette gaat ook zitten, en samen kletsen we nog lang. Het voelt goed om met Colette te praten. We kennen elkaar nog niet lang, maar er ligt geen drukkend iets tussen ons dat ons ervan weerhoudt niet met elkaar om te gaan. Heerlijk helder ben ik ook weer in het uitdrukken van dingen, maar ik weet gewoon even niets anders. Om half tien wordt ik toch echt wel weer heel moe en ik ga voorzichtig weer liggen. Als ik de verhalen van Colette van de volgende ochtend moet geloven lag ik binnen vijf minuten diep te slapen, en dan ook zodanig dat ik heel hard snurkte. Shit, denk ik bij mezelf. Nu weet ze iets van mij wat ik niet wil dat ze weet. Ik schaam mij zeer diep. Echt abnormaal hoeveel geluid ik 's nachts maak. Waarom dacht je dan ook dat ik amper jongens kan krijgen. Iedereen die dit van me weet, weet dat ze maar niet bij mij in de buurt moeten komen 's nachts, en wat is een relatie waard als je niet bijelkaar kunt zijn op alle momenten van de dag (en nacht). Ik dwaal af. Ik voel me nu weer even veel beter, maar ik weet dat ik nog niet helemaal ben. Als ik wakker ben, om negen uur, staat er al een ontbijtje naast mijn bed, met een briefje van Liv en Colette. Ze zorgen gelukkig goed voor mij. Liv is thuis aan het werken en Colette heeft het over dat ik ontzettend snurk (alsof ik dat nog niet wist). Ze zijn erg aardig voor me, en het voelt bijna alsof ik hier een veilige thuishaven heb. Beter, en veiliger als bij mij thuis. Maar ik moet niet zo denken, want mijn "ouders" hebben ook heel erg goed voor mij gezorgd.

donderdag 10 februari 2011

Colette

Ik had op de terugweg echt heel vaak aan Sharon gevraagd of het echt wel goed met haar ging. Ze had me steeds gezegd dat het prima met haar ging, maar toch was ik erg bezorgd. Eigenlijk vond ik het best eng. Ik kende Sharon nog helemaal niet lang, maar ik begon me al echt heel erg aan haar te hechten. Ik begon haar gewoon al als een vriendin te zien. Dat had ik normaal echt niet zo snel. Normaal maakte ik ook gewoon geen vrienden. Toen Sharon had gegaapt toen we thuis waren had Liv haar meteen naar boven gestuurd. Ze was ook erg moe, want ze ging meteen zonder te protesteren. Ik bleef beneden zitten, samen met Liv. We dronken samen thee en Liv had allemaal High Tea koekjes en taartjes gehaald die ochtend. Ook bracht ik nog een kop thee naar Sharon, samen met muffins en koekjes. Toen ik bij haar binnen kwam, sliep ze nog of deed ze alsof. Maar toen was ze kennelijk toch wakker en kletsten we nog even over school en over ons leven thuis. Ik zei nog steeds niets over Frankrijk. Waarom zei ik dat niet? Had ik trauma's aan Frankrijk? Misschien wel.. Maar toch wilde ik nog steeds terug. Of was dat niet waar? Wilde ik nog terug? Ik wist het niet precies. Ik heb nog een tijdje met Sharon zitten praten, totdat Liv me weer naar beneden riep. Daar ging ik op de bank zitten om mijn boek verder te lezen. The Vampire Diaries. Ik was al bezig met hoofdstuk zeven van boek drie toen de telefoon opeens ging. Ik keek naar Liv maar die stond al op en liep naar de oude telefoon. Het was bijna een antiek toestel. Hij was niet mobiel en had zelfs nog een draaiknop. Maar hij deed het en hij zag er cool uit, en daar ging het om. Liv nam op en ik zag dat ze verrast was door de persoon die belde. Ik keek naar haar en lette niet meer op mijn boek. 'Maar.. Ik snap het niet.. Waarom bel je dan? Colette? Ja, Colette is hier.' Ik weet niet waarom maar ik trilde ineens. Ik had mijn boek al weggelegd en bleef als versteend zitten. 'Oké.. Ik roep haar wel..' zei Liv en ze wenkte me. Ik stond nogal wankel op en liep naar de telefoon. Ik pakte hem over van Liv en keek haar even aan. Ze haalde haar schouders op. 'Hallo?' zei ik zachtjes. Ik hoorde opeens een meisje huilen aan de andere kant van de lijn. Ik herkende dit meisjesstemmetje. Heel erg goed zelfs. Er schoot een brok in mijn keel. 'Car?' zei ik zachtjes. 'Carice?' 'Co-Colette?' zei het meisje zwakjes. 'Wat is er?' zei ik. Ik wilde niet weten wat er was.. 'Ch-Chris is.. En mama is..' Ik leunde op het dressoir waar de telefoon op stond. 'Carice, vertel rustig wat er is gebeurd?' zei ik nogal serieus in het Frans. 'Chris is net we-weggelopen. E-En mama is er ook niet. En ik behen alleeheen.' huilde het meisje aan de andere kant van de lijn. Ik slikte even. Chris zou Carice nooit in de steek laten. Dat mama dat nou deed.. Oké. Dat kwam vaker voor na.. Nou ja. Na papa. Maar Chris.. Chris voelde zich altijd erg verantwoordelijk voor Carice. En dat hij nu zomaar weg was gelopen.. Het was raar.. Carice huilde nog steeds aan de andere kant van de lijn. Ik probeerde haar gerust te stellen, maar het werkte nou niet helemaal. Toen hoorde ik de deur open en dicht gaan aan de andere kant en een jongensstem iets zeggen. 'Car?' vroeg hij. Hij klonk niet als zichzelf. Hij klonk alsof hij iets gebruikt had. Iets had gedronken. Toen hoorde ik iets vallen. Het was waarschijnlijk de telefoon, want de klap was nogal hard. 'Chris?' zei ik nogal geschokt. 'Huh? Colette? Heb je Colette gebeld? Waarom dan? Huh?' hoorde ik Chris wat lacherig zeggen. Carice huilde nog steeds op de achtergrond. Ik hoorde hoe de telefoon werd opgepakt en hoe er iemand nogal zwaar in ademde. 'Hé, Col. Is het leuk daar in Engeland?' zei hij met dubbele tong. 'Chris.. Heb je gedronken?' zei ik verbaasd. Chris dronk niet. Chris was verantwoordelijk. Dit was Chris niet. Na een tijdje adem te halen antwoorde hij. 'Maak je maar niet druk. Alles komt goed. Het is hier allemaal prima. Doeg.' Tuut tuut tuut.

dinsdag 8 februari 2011

Wiliam

Nadat we het ziekenhuis hebben verlaten, en Colette hebben achtergelaten bij haar tante en Sharon stap ik weer samen met James in zijn auto. Ik haal mijn neus op. Er hangt hier een vreemd en zeer herkenbaar luchtje. ‘Wat heb je gedaan in de tijd dat je weg liep en ik achter bleef bij Colette?’ ‘Ik heb even een kleine voorraad aangelegd, omdat jij vegetariër wilt worden weet je nog wel? Dit is voor jouw eigen bestwil dat ik even wat bloed heb meegenomen uit het ziekenhuis. Het is er toch in overvloed. Thuis begon mijn voorraad in de kelder op te raken.’ Ik voel me nog steeds niet goed bij het idee dat we vele liters bloed in onze auto hebben liggen, maar ik moet. Het is stom om nu uit te stappen dus laat ik me maar vervoeren. Aangekomen bij het huis zorg ik dat ik weg kom. Het voelt zo verkeerd. Hij doet het voor mij, en dat maakt het nog minder aangenaam. We zijn strafbaar. We hebben bloed gestolen van mensen die het heel hard nodig hebben. Veel harder dan dat wij het nodig hebben. Van mensen die op sterven liggen. Ik hoop bij mezelf dat James niet willekeurig bloed heeft uitgezocht, maar vooral oud bloed of bloed uit een veelvoorkomende bloedgroep. Ik durf het niet te vragen omdat ik bang ben dat hij ziet dat ik het er eigenlijk niet mee eens ben. En dan moet niet. James doet altijd al zoveel voor mij, hij is er voor mij als ik weer eens een moeilijkere periode heb. En dat gebeurt vaak. Ik zit er vaak wel vier tot vijf dagen per week doorheen zodat ik het even helemaal niet meer zie zitten. Het liefst zou ik dan gewoon vertrekken naar de wildernis. Ik heb een vriend, Dean, en hij woont ergens in een verlaten huisje aan de kust. Hij heeft daar een lege kamer staan en ik mag altijd bij hem komen logeren. Ik heb zelfs de sleutel van zijn huisje omdat ik daar de laatste tijd steeds regelmatiger kom. Ook nu is het weer zover. Ik moet weg uit deze wereld, uit dit dorp, uit deze omgeving. School regel ik later wel. Dat is nu even helemaal niet belangrijk. Mijn tas staat altijd klaar, niet dat ik veel mee hoef te nemen maar het is vooral om een illusie te wekken bij Dean. Hij weet het niet van mij, en ik wil het eerst ook zo houden. Ik kan me eerst nog goed inhouden, en ik neem wel enkele van de bloedtabletten mee die ik nog over heb. Nog geen half uur later stap ik in de trein richting de kust van Wales.

zondag 6 februari 2011

James

We liepen met z'n drieën de wachtkamer in. Ik liep achterop. Colette rende bijna en keek koortsachtig om zich heen. Toen ze Sharon zag zitten liep ze snel op haar af. Wiliam volgde haar. Ik twijfelde even. En ging er toen vandoor. Ik moest nog iets regelen hier, zoals ik al gezegd had. Ik vloog de hoek om en keek op de bordjes om te zien waar ik naartoe moest. Kinderafdeling. Nee. Oncologie. Nee. Intensive care. Nope. Waar was die vervloekte afdeling? Toen zag ik iets interessants. Ik was in een uithoek gekomen van het ziekenhuis waar geen kamers meer waren. Dit was vast waar ik moest zijn. Ik liep zo snel dat niemand me kon zien. Toen zag ik een deur waar in grote letters: Bloedbank op stond. Ik grijnsde. Toen zag ik dat de deur op slot zat. Je moest met een pasje de deur open doen. Ik hoopte dat ik nog genoeg kracht had om gedachten te kunnen beïnvloeden. Het was al een tijdje geleden dat ik had gegeten. Ik begon te zoeken naar iemand waarvan ik verwachtte dat diegene een sleutel had. Dat duurde niet lang. Het was een jonge arts, eind twintig gokte ik. Ik liep op haar af. Ze leek totaal verbaasd dat ik hier liep. Ik keek diep in haar ogen en begon met mijn hypnose. Ik zei haar dat ze me de sleutel moest geven, en natuurlijk deed ze dat. Toen vertelde ik haar dat ze moest vergeten wie ik was. Ze knikte dat ze het had begrepen en ik pakte de sleutel van haar over. Toen liep ik terug naar de deur en deed het pasje in de gleuf. De deur ging met een klik open en ik voelde een koude windvlaag. Ik rook het bloed eerder dan dat ik het zag. Het was een enorme koelkast met allemaal verschillende bakken waar zakken met bloed in zaten. Ze konden vast wel wat missen. De reden dat ik dit deed was dat ik wist dat Wiliam geen mensen meer wilde aanvallen. Hij had dit nodig. Op bloedtabletten kon je niet leven, tenminste niet voor lang. Ik liep de koelkast in en zocht wat goeds uit. Ik nam een bak mee en liep weer naar buiten. Ik sloot de deur en nam het kaartje mee. Die zou me vast nog wel eens van pas komen. Toen rende ik naar de auto en stopte de bak erin. Daarna liep ik weer nonchalant naar het ziekenhuis. In totaal had dit ongeveer vijf minuten geduurd. Wiliam keek me even vragend aan, maar ik schudde mijn hoofd. Vragen konden later. Ik zag hoe Colette een discussie had met een wat oudere dame over of ze wel of niet naar school moest. Colette won, zo te zien. Sharon probeerde ondertussen de hele tijd om niet mijn kant op te kijken. Niet veel later vertrokken we apart van elkaar. Wiliam stapte bij mij in de auto. Ik had geen zin meer om naar school te gaan en eigenlijk was het de moeite ook niet meer. We reden naar huis. Wiliam stelde een vraag over de geur die in de auto hing. Het was bloed. Ik vertelde hem wat ik had gedaan in het ziekenhuis en toen we thuis waren legde ik het bloed in een grote koelkast in de kelder. We hadden vooraad.

Sharon

De vrouwelijke conciërge rijdt me naar het ziekenhuis. Hij loopt de eerste hulp binnen en praat met de vrouw achter de balie. Ze wijst op de wachtkamer en ik laat me gewillig meevoeren naar een stoel. Dan vraagt de conciërge of ze iemand voor me kan bellen. Ik denk na, mijn ouders is geen goed idee, en ik zal Colette ook maar niet onnodig ongerust maken. Welk persoon blijft dan nog over die ik hier ken. Ik streep af. Alleen Liv blijft nog over. “Olivia”, zeg ik zachtjes. Ik haal ergens uit mijn tas een nummer tevoorschijn. De conciërge vraagt me hoe zij met me is verbonden, voordat ze het nummer draait. “Ik huur een kamer bij haar in huis. Voor de rest ken ik amper nog mensen hier.” De conciërge draait het nummer en begint te praten tegen degene aan de andere kant van de telefoon, Liv. Ondertussen wordt ik uit de wachtkamer geroepen. Ik kijk even naar de vrouw, maar deze wuift met haar hand. Ik zie dit als teken dat ik gewoon mee moet gaan. Nu zit ik hier helemaal alleen met de arts in een klein kamertje. Hij vraagt me allerlei dingen en ik vertel het verhaal wat ik eerder ook al eens verteld heb. Ik vul dit aan met het advies –eerder een bevel- van de huisarts om, als het steeds vaker gebeurt naar het ziekenhuis te gaan. De arts vraagt naar mijn vorige huisarts en ik geef hem zijn naam en plaats. Hij doorzoekt een computer en gaat dan bellen. Ik vermoed met die huisarts. Even later zet hij me weer in de wachtkamer en zegt hij dat ik door iemand anders weer word opgehaald. Terwijl ik weer zo zit te wachten komt ook Liv binnen. Ze loopt meteen op me af. “Wat is er gebeurd? En ik heb de conciërge gebeld om Colette te waarschuwen.” Ze gaat aan de andere kant van mij zitten, en zegt bot tegen de conciërge dat ze wel kan gaan. Als ik bloed heb geprikt en opnieuw in de wachtkamer zit komt ook Colette binnen samen met de twee jongens die ook in de bus waren, inclusief de engerd die ik niet mag. Gelukkig gaat Colette aan de andere kant van mij zitten. Ik zie Liv nog wat moeilijk kijken, maar uiteindelijk accepteert ze de aanwezigheid van de jongens. Op de uitslag moet ik eerst nog een week wachten. Zuchtend stap ik bij Liv in de auto. Ik heb geen zin meer om nu nog naar school te gaan.

zaterdag 5 februari 2011

Colette

Ik had zweethanden. Ik veegde ze af aan mijn regenboogkleurige rokje. Wat wilde de conciërge van me? Wiliam liep naast me. Ik vond het fijn dat hij met me meeging. Ik durfde echt niet alleen. Ik durfde vandaag helemaal niks. Ik was zenuwachtig. Waar zou het over gaan? Was er iets met mama gebeurd? Of met Carice of Chris? Ik zou niet nog zoiets aankunnen. Niet vandaag. Mijn zusje Carice was negen en Chris was maar een jaar jonger als dat ik was. Hij was vijftien. En een enorme relschopper, dat zeker. Of zou er wat bekend zijn over Sharon? Zouden ze haar naar de dokter hebben gebracht? Of misschien zelfs naar het ziekenhuis? Ik vond dit echt doodeng. Toen waren we er. Wiliam deed de deur van de conciërgerie voor me open en ik stapte aarzelend naar binnen. De conciërges zuchtten even. Ik heb geen idee waarom. Ik keek even achterom naar Wiliam. Hij glimlachte me bemoedigend toe. Ik knikte. En keek weer naar de conciërges. 'Colette Barton?' vroeg de dikke man nogal overbodig. 'Oui.. Ik bedoel.. Ja.' Als ik zenuwachtig was viel ik altijd weer terug in Frans. Ik wist gewoon dat ik er echt heel erg bleek en ongezond uitzag. 'We hebben je geroepen omdat je tante heeft gebeld. Over je vriendin Sharon.' Was Sharon al mijn vriendin? Eigenlijk heb ik gister pas voor het eerst met haar gesproken.. Ach. Wat maakte het ook uit. Ik knikte even. 'We moesten je vertellen dat je je geen zorgen over haar moest maken en dat je tante naar het ziekenhuis toe is. Ze is er misschien niet als je vanmiddag thuis komt.' Ze de wat oudere man. Het ziekenhuis? Ze was dus echt naar het ziekenhuis? Ik slikte en knikte weer even. Ik bleef staan als een plank. 'Je kunt weer naar je les.' voegde de dikke man een beetje geërgerd toe. 'Colette, kom mee.' zei Wiliam. Hij pakte me zachtjes bij mijn arm en nam me mee naar buiten. Toen ik naar rechts keek zag ik opeens de andere jongen om het muurtjes staan. Hij had autosleutels in zijn hand. 'James, wat doe jij hier?' zei Wiliam nogal verbaasd. Oké. Hij heette dus James. 'Ik dacht dat we naar het ziekenhuis toe gingen.' zei de jongen die James heette. Had hij gehoord wat we binnen gezegd hadden? Ach, dat zou dan wel. Eigenlijk wilde ik heel graag naar het ziekenhuis toe. Ik wilde weten hoe het met Sharon was. En of ik haar kon helpen. Wiliam ging er even tegenin. 'Maar we moeten naar de les..' zei hij protesterend. 'Wie kan die les nou wat schelen. Colette wil graag naar het ziekenhuis, ja toch?' zei James. Hoe wist hij mijn naam? Ach het kon me ook niet schelen. Ik knikte eventjes. 'Ja. Maar wil je me daar echt naartoe brengen?' zei ik toen. 'Ja natuurlijk. Ik moet zelf toch nog wat regelen in het ziekenhuis. Kom maar mee.' zei hij en hij stak zijn arm naar me uit. Ik aarzelde niet en volgde hem. Ik keek even achterom naar Wiliam. Ik zag dat hij aarzelde maar toen hij merkte dat James anders met mij alleen zou gaan stond hij wel erg snel naast me. We liepen met z'n drieën de parkeerplaats op. Hoe had hij die auto hier gekregen? Hij was toch met de bus? Oké. Ook dat kon me niet zoveel schelen. We stapten in de auto. Ik stapte achterin en Wiliam voorin. James begon te rijden. 'Bedankt nog, van vanmorgen.' zei ik. 'Geen probleem.' zeiden de twee jongens voorin tegelijk.

Wiliam

Het eerste uur en het tweede uur had ik de vakken engels en natuurkunde samen met James. Ik merkte aan hem dat hij niet lekker in zijn vel zit vandaag, maar ik vraag het hem vannacht wel. Na de pauze heb ik biologie. Ik weet dat James dat vak niet heeft en ik bereid mij voor op een les alleen zitten. Maar, als ik de klas binnenstap zie ik haar zitten. Het meisje van de bus, het meisje dat ik vanochtend heb getroost, en heb afgeleverd bij haar klas. Ze weet mijn naam nog niet eens, en ik weet de hare ook nog niet. Ik sjok richting haar tafel. ‘Is die plek naast jou nog vrij?’ vraag ik op een vriendelijke toon. Ze knikt, en zucht tegelijkertijd. Wil ze niet dat ik naast haar ga zitten? Of was die zucht ergens anders om. Soms zou ik echt willen dat ik gedachten kon lezen, dan was het meeste veel gemakkelijker geweest in het leven. We raken aan de praat, en ik voel dat ze zich een beetje ongemakkelijk voelt. Het liefst leg ik een hand op haar schouder om haar gerust te stellen, maar ik ben bang dat ze daar alleen maar meer van in de war raakt. Colette, de naam echoot door mijn hoofd. Ik krijg het er niet meer uit. Haar naam, haar manier van praten alles is zo mooi aan haar. Het liefst zou ik haar vanmiddag gelijk meenemen naar allerlei dingen. Ik wil haar veroveren, maar tegelijkertijd roep ik mezelf tot bedaren. Nee, ik moet niet dingen overhaasten. Dat is niet goed. Dat schrikt af, en dan wil ze misschien niets meer van mij weten. Ik moet voorzichtig zijn met wat ik doe. Maar één ding weet ik wel zeker, ik ga James hier eerst niet over vertellen. Dit zijn zaken die hem niet aangaan. Ik wil niet dat hij alles over mij weet, en tegelijkertijd ben ik erg bang dat hij van alles gaat proberen om het proces te versnellen terwijl ik dat niet wil. Dat kan alleen maar tegen mij gaan werken. Ik ga rustig aan doen. En het maakt mij helemaal niets dat we morgen of pas over een half jaar iets krijgen. Ik moet haar niet onder druk zetten. Ik weet van menig andere vrouwen dat ze dan afknappen op diegene die hen onder druk heeft gezet. En dat moet ik niet hebben. Ineens gaat de omroepstem aan. ‘Wil Colette Bardon zich melden bij de conciërge? Ik herhaal: wil Colette Bardon zich melden bij de conciërge?’ Ik kijk opzij. En zie hoe haar gezicht verbaasd, maar toch gespannen staat. ‘Zal ik met je mee gaan?’ Ze denkt na. Zo lijkt het tenminste. Dan knikt ze zachtjes. Ik help haar met het inpakken van haar tas. En we lopen dan samen het lokaal uit. Ik knikte nog even met mijn hoofd naar de lerares die met haar mond vol tanden staat. Als ik achter Colette aan loop de conciërgerie binnen zuchten beide conciërges ergerlijk. Ik leg ze met een blik het zwijgen op. Ik blijf bij de deur staan en kijk toe.

vrijdag 4 februari 2011

Colette

Ik zat bij Biologie en ik maakte me ontzettend veel zorgen om Sharon. Ze had deze les met me, en ze was er nu nog steeds niet. En dit was al het derde uur. Toen kwam een van de jongens uit de bus binnen. Het was die ene met krulletjes. Hij glimlachte even naar me, en kwam toen naast me zitten. 'Hoe gaat het nu?' zei hij zachtjes. 'Beter.' zei ik bijna geluidloos. Ik was er verbaasd over dat hij knikte als teken dat hij me gehoord had. Het was echt erg zacht geweest. Kon hij liplezen? 'Hoe heet je?' vroeg hij toen. 'Colette. Colette Barton.' Hij knikte even. 'Hm.. Colette Barton. Klinkt niet erg Engels.' zei hij toen. 'Ik ben hier pas sinds de zomervakantie. Daarvoor woonde ik in Frankrijk.' Oké.. Waarom flapte ik dat eruit. Eigenlijk wist zelfs Sharon dat nog niet. Ze wist eigenlijk niks over me. En nu zat ik gezellig met een wildvreemde over mezelf te praten. Hij knikte weer even. 'En jij? Hoe heet jij?' vroeg ik toen. 'Wiliam Ludlow.' stelde hij zichzelf met een glimlach voor. 'Dat klinkt wel Engels.' zei ik met een flauw glimlachje. Wiliam lachte even en glimlachte toen naar me. 'Ja, dat klopt. Geboren en getogen.' zei hij. Ik wist niets meer te zeggen. De les was nog steeds niet begonnen. De leraar zou wel laat zijn ofzo. 'James heeft je vriendin naar de conciërgerie gebracht en toen zijn we er vandaan gestuurd.' zei Wiliam. Ik knikte even. 'Heb je enig idee waarom ze flauw viel?' vroeg haar toe. Ik schudde mijn hoofd. Ik keek hem niet aan. 'Ik had het idee dat je niet alleen huilde om haar, klopt dat?' zei hij toen voorzichtig. Toen keek ik op, recht in zijn ogen. Ik wist niet wat ik moest denken. 'Misschien.' zei ik toen. 'Je hoeft het niet te zeggen hoor.' zei hij en toen ging de deur open en liep de leraar binnen. Het rare was.. Het was niet dat ik het hem niet wilde vertellen. Als mrs. Greenville niet binnen was gekomen dan had ik het ook gezegd. Ik had hem alles verteld. Maar waarom? Ik kende hem niet, maar waarom wilde ik hem alles over mezelf vertellen? Ik had al verteld dat ik uit Frankrijk kwam, terwijl nog niet veel mensen dat door hadden omdat ik niet bepaald een Frans accent had. Mijn naam zou ook gewoon Engels kunnen zijn, en ten derde interesseerden mensen zich er gewoon niet voor. Was dat het? Wilde ik het hem vertellen omdat hij erin geïnteresseerd was? Was dat een rare reden? Ik wist het niet. Maar ik wist wel dat ik Wiliam best leuk vond. Hij zag er heel erg lief en begrijpend uit. Als iemand die nog liever spijkers zou eten dan dat jou iets zou overkomen.

Sharon

Ik heb geen idee waarom het ineens duizelde. Ik heb het één keer eerder gehad, maar toen zei mijn toenmalige dokter dat, als het zich niet herhaalde het niet ernstig was. Dit is ook de reden waarom ik me er nooit meer druk over heb gemaakt, maar nu is weer zo’n moment dat ik flauw val. En vorige week had ik ook al zo’n moment. Ik weet van mezelf dat ik naar het ziekenhuis moet, maar alleen in een wildvreemde stad in een wildvreemd ziekenhuis liggen, zonder dat je ouders bij je op bezoek kunnen komen staat me niet aan. Ik kan weer helder denken, en ik voel de drang om mijn ogen open te doen en gewoon weer te gaan zitten, en net doen alsof er niets aan de hand is, maar er is wel degelijk iets aan de hand. Achter mij hoor ik Colette huilen. Ze is helemaal overstuur. Dan worden er zachtjes woorden gefluisterd bij mijn oor. Ineens begint de bus weer te rijden, ik had nooit gemerkt dat we stil stonden. Als ik een klein klapje op mijn wang krijg moet ik mijn ogen wel open doen. Daar zit hij naast me, over me heen gebogen. Ik schrik, en probeer mijn reacties in bedwang te houden. De rest van de busrit zeg ik niets, en ook op school houdt ik me stil. Ik wil niets van hem weten, hij is eng en heeft me bedreigd. Waarom zou ik hem nou weer dankbaar moeten zij dat hij mij en Colette geholpen heeft. Hij brengt mij naar de conciërgerie, maar in plaats van zelf naar zijn eigen les te gaan blijft hij bij mij zitten. Nee, dit wil ik niet! Hij probeert naar mijn naam te vissen, en naar de reden waarom ik flauw viel, maar ik wil niet tegen hem praten. Hij is het niet waard om tegen te praten. Vijf minuten later komt zijn vriend ook nog binnen. Eindelijk stuurt de conciërge hen weg. Dan zit ik alleen met hem in het hok. Ik kijk stilletjes voor me uit, en ik heb even geen idee wat ik moet zeggen of wat ik moet doen. Even later komt er ook een vrouw binnen, zij lijkt me aardig en is gelijk ook heel erg open naar mij toe. Ik voel mij op mijn gemak en vertel haar het verhaal. Ook dat ik het vroeger wel eens had gehad en dat ik, als het regelmatiger zou voorkomen naar het ziekenhuis moest gaan van de huisarts. Als ik dan ook nog zeg dat ik vorige week ook zo’n aanval had, pakt ze gelijk haar jas, sleutels en tas. Ze helpt mij om op te staan en te lopen. Ik voel me nog steeds erg zwakjes. “Moet ik iemand waarschuwen of moet er iemand mee, Sharon?” Ik kijk even op en denk na. Nee, ik denk niet dat Colette nu met mij mee wil. Ze moet zelf ook weer even op krachten komen. Ik schud mijn hoofd en ga dan zitten in de vrouw haar auto. Ik moet mezelf tegenhouden niet te gaan huilen.

James

Ik had mijn leren jack om het meisje heen geslagen omdat ze zo rilde. Hetzelfde meisje als gister. Wat een toeval. Toen Wiliam het blonde meisje, van de bus van gister -Ook weer toeval zeker?-, naar haar lokaal bracht, ging ik met het andere meisje naar de conciërgerie. Zou ze me herkennen? Ik hoopte alsjeblieft van niet. Al zou het niet erg zijn. Technisch gezien had ik me niet ernstig gedragen. Ik had haar helemaal geen pijn gedaan. Ik had haar alleen met een beetje dwang gevraagd waar de bushalte was. En zij had me een knietje gegeven. Oké. Wie zouden ze eerder geloven, mij of het onschuldige rillende bleke meisje? Ik kon me maar beter gedeist houden. Ze hadden haar op een stoel gezet in de conciërgerie en ik zat ernaast op mijn hurken. Ik keek naar haar, maar ze wilde me beslist niet aankijken. Hm. Viel te verwachten. 'Hoe heet je?' vroeg ik toen. Ze zei niets. Was ze in shock? Kon ze daarom niets zeggen? 'Meiske, wat is je naam?' vroeg toen een conciërge die er nogal lomp uitzag en een ontzettend boers accent had. Als ik zo naar hem keek leek hij op iemand die Wiliam een keer had beschreven en die hij Hook had genoemd, op school Captain Hook genoemd naar de kapitein van Peter Pan. Hij leek helemaal niet op een kapitein. Geen enkele vergelijking. Hij zag er wel uit alsof hij al zeven maanden niet gedoucht had. En zo rook hij ook. Gadverdamme. 'Sharon Scott.' zei het meisje toen zachtjes. Huh? Ze had niet op mij gereageerd, maar wel op zo'n ontzettende engerd. 'Sharon, weet je nog waarom je flauwviel?' vroeg ik toen poeslief. Weer zei ze niets. Ik begon me te ergeren. Waarom negeerde ze me? Ik had er een enorme hekel aan om genegeerd te worden. 'Nou, wat isser allemaal aan het handje.' zei Hook weer. 'Ik weet het niet.' zei ze weer zachtjes. Oké. Ze deed het dus echt om mij. Ze wilde echt niet naar me luisteren en mijn vragen beantwoorden. Ze was de eerste persoon die me ooit had genegeerd. Vanaf dat moment wist ik het zeker: Ik wilde haar. Al was het alleen maar omdat ik haar niet kon krijgen. Op dat moment kwam Wiliam binnen.

Wiliam

Ik ben gespannen voor de busrit naar school. Ik heb geen idee wat ik moet verwachten. Vooral omdat ik half vegetarisch probeer te worden. Ik heb al gedurende week geen mensenbloed meer gehad. En sinds vier dagen helemaal geen bloed gehad. Wat moet ik doen als ik straks helemaal los sla, en mensen begin aan te vallen omdat ik zo’n honger heb. Nee, honger is niet het goede woord. Want psychisch wil ik niet eten, of in mijn geval drinken, maar mijn lichaam snakt ernaar om bloed binnen te krijgen. James heeft mijn zorgen door en geeft mee een klop op mijn schouder. ‘Het gaat wel goed. En anders houd ik je wel tegen.’ Ik glimlach even, maar daarna wordt mijn gezicht weer neutraal. De bus is vroeg, en als de deuren open gaan ruik ik al de geur van zweet, adem, huid en bloed. Ik zoek een plekje op in het midden van de bus bij de tweede deur in de buurt. Zo kan ik altijd vluchten. Halverwege de rit voel ik dat de sfeer veranderd, en nog geen minuut daarna begint een meisje achterin de bus te roepen en te panikeren. Ik kijk eerst met een bezorgd gezicht James aan. Moet ik er naartoe gaan, en hen in gevaar brengen door erheen te gaan, of zal ik gewoon blijven zitten zoals eigenlijk iedereen doet. James geeft een kort knikje met zijn hoofd. Voor mij is dat een teken om uit de bank te stappen en naar achteren te lopen waar het probleem zich afspeelt, op de voet gevolgd door James. Ik heb eerst het meisje dat waarschijnlijk om voor mij nog onbekende redenen is flauwgevallen languit gelegd in het gangpad. Daarna ben ik naast het hysterische meisje gaan zitten. Ik heb een arm om haar heen geslagen en geruststellende woordjes gesust. Eindelijk kwam er voor in de bus ook actie. Een andere passagier heeft de buschauffeur tot stoppen gesmeekt en deze kwam gelijk hierna ook naar ons toe. Ik glimlachte even en knikte naar hem dat wij de zaak zo goed als onder controle hadden. Ik schoof samen met het meisje, twee plekken opzij zodat er ook nog ruimte was voor James en het andere meisje, en ook zaten we nu veel minder in het zicht. Eindelijk kalmeerde het meisje wat, maar ik liet haar niet los. Bang dat ze dan weer uiteen zou vallen in allerlei kleine stukjes. Ik ga door met het fluisteren van kalmerende woordjes. Eindelijk heb ik het gevoel dat ze nu echt binnendringen. Het voelt goed om haar vast te hebben. Ik weet niet wat het is, en eigenlijk ben ik bang voor dit gevoel. Ik ben bang dat het mis gaat, dat het uit gaat lopen op onmogelijke dingen. De bus stopt voor school. Ik loop met het meisje mee de bus uit, en het schoolplein over. Als ik haar naar het lokaal breng merk ik dat niemand op haar afspringt of op haar let. Als ik terug kom zie ik dat James nog met het andere meisje bij de conciërge zit. Zij is nu ook weer helemaal bij kennis, maar ze is zeker een paar minuten weggeweest. Ik stap ook de conciërgerie binnen. En ga erbij zitten. Ik wordt vreemd aangekeken door de conciërges, maar ze gaan niet tegen me in. Bang dat ze daarmee ook het tere meisje beschadigen.

donderdag 3 februari 2011

Colette

Ik had een tijdje voor me uitgestaard, door het raam. Maar toen ik weer naar Sharon keek kon ik zien dat er iets niet goed was. Ze zag er helemaal niet lekker uit. 'Sharon?' zei ik zacht. Ik pakte haar schouder vast, en op dat moment viel ze voorover. Ze was flauwgevallen. Ik raakte altijd in paniek als ik de verantwoordelijkheid kreeg over mensen die dingen hadden waarvan ik geen idee had hoe ik het op moest lossen. Ik had nooit een EHBO cursus gevolgd en ik wist ook helemaal niet hoe ik dit moest aanpakken. Koortsachtig probeerde ik Sharon weer overeind te krijgen, terwijl ik zeker wist dat dát eigenlijk niet de bedoeling zou moeten zijn. Ook was ik -al was ik daar niet zeker van- nogal hysterisch haar naam aan het roepen. Ik was echt heel slecht met zieke mensen, al was Sharon dan niet bepaald ziek. Het allerergste was nog dat iedereen in de bus naar ons keek. En deden ze wat? Nee. Ze zaten verstijfd te kijken hoe ik precies het tegenovergestelde aan het doen was van wat de bedoeling was. De bus schudde steeds heen en weer en ik raakte steeds meer in paniek. Ik begon zelfs te huilen. Toen kwam mijn reddende engel. Hij liep naar ons toe, eigenlijk moet ik zij zeggen want ze waren met z'n tweeën. De ene pakte mijn handen zachtjes vast en haalde ze van Sharon's schouders terwijl de ander haar optilde en haar in het gangpad van de bus legde, op de grond. Volgens mij had de buschauffeur eindelijk -God zij dank- doorgekregen dat er iets niet helemaal goed was want hij stopte de bus en begon naar achteren te lopen, naar ons. Ik huilde. Ik schudde er helemaal van. Waarom vergelijk ik het hiermee? Waarom vergeleek ik papa's.. Ik zag opeens alles weer voor me. Alles. het hele ongeluk speelde zich opnieuw af. Ik merkte hoe ik nog erger begon te huilen, tot op het punt dat ik wist dat ik niet meer kon stoppen. Ik voelde de stevige arm die zich om mijn schouders sloot niet eens. Ik hoorde de geruststellende woordjes niet. Ik zag niets meer in de bus. Ik zag alleen papa. En alleen het ongeluk. Ik was op dit moment hysterisch en ik wist niet wat ik eraan moest doen. Maar toen hoorde ik de stem in mijn oor wel. De sussende geluidjes. Ik voelde de arm om mijn schouder. Ik begon rustiger adem te halen, al stroomden de tranen nog wel over mijn wangen. Toen begon ik de contouren van de bus weer te zien. Van de mensen die me aanstaarden en vast dachten dat ik me enorm aan het aanstellen was. Ik zag weer scherper en zag Sharon op een stoel zitten met haar voeten in het gangpad. Ze had een glas water vast, waar ze dat vandaan had? Ik had ook geen idee. Een eindje van haar verwijderd stond een jongen met zwart haar en lichtblauwe ogen. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. Het was de knappe jongen uit de bus van gister. Toen pas keek ik naast me. Naar de eigenaar van de arm, tenminste dat nam ik aan. Het is nogal logisch dat als er een arm om je heen is geslagen die meestal is van degene die naast je zit. Oké. Ik dwaalde weer eens af. Ik keek in zijn ogen. Ze waren een hele mooie zachte bruin kleur. Ze keken bezorgd naar me. Zijn mond bewoog en zij nog steeds sussende geluidjes. Hij had erg mooie donkerbruine krullen die perfect rond zijn gezicht vielen. Ik zag hem, en ik wist dat het de knapste man was die ik ooit had gezien.

Sharon

Mijn wekker gaat. Ik pak mijn mobiel en kijk hoe laat het is. Ik wordt half verblind door het felle licht van het beeldscherm. Haf zeven. Ik probeer na te denken waar ik ook alweer was beland. In een groot huis, met nog een meisje en haar tante wie ik Liv moest noemen. Ik zoek tussen de verhuisdozen, naar de doos met mijn kleding en trek er een spijkerbroek uit, met een simpel basic t-shirt. Vandaag doe ik niet moeilijk. Ik borstel mijn haar en kneed er wat mousse in. Dit was het dan voor vandaag qua aandachts besteding aan het uiterlijk. Ik loop naar beneden en zie dat Liv al aan een gedekte tafel zit te eten. Ik groet haar en ga zitten. Ik heb van gisteren al snel genoeg geleerd dat ik gewoon maar moet doen wat ik denk dat goed is. Al het gevraag werkt alleen maar op iedereen hun zenuwen. Als ik mijn tas heb ingepakt, mijn schoolboeken zijn de enige dingen die niet in dozen lagen opgeslagen, loop ik nog door de keuken om mijn broodbakje er ook in te doen. Dan stapt ook Colette met een slaperig hoofd de keuken in. Ze heeft felle kleding aan, maar bij haar figuur staat het echt leuk. Ik kijk op mijn horloge. Als ik nog vijf minuten wacht dan kan ik samen met Colette naar de bus, en dan weet ik tenminste zeker dat ze vandaag niet weer skipt. Niet dat het mij heel erg uitmaakt, maar het geeft mij een goed gevoel als ik weet dat ze het toch aandurft. Want ik weet zelf ook wel dat het niet alleen maar ziek was. Maar ik ben nog niet achter die andere reden. De vijf minuten worden er zeven, en we rennen samen, ik op mijn pumps, naar de bushalte. Als we daar aankomen komt de bus ook net aangereden. Hijgend ploffen we op de achterbank van de bus neer. Dan beginnen we te lachen. Als het iedere dag zo gaat, dan gaat mijn conditie als een pijl omhoog. Ik schop eerst mijn pumps uit en ga wat relaxeter zitten. Naast mij zit eerst toch nog niemand, en als het druk wordt ga ik wel weer normaal zitten. ‘Daar zitten we dan. In de bus naar school, op naar onze tweede schooldag.’ Colette zucht instemmend. Als er bij de volgende halte een groepje jongens instapt denk ik ineens aan het avontuur van gisteren. Het zal toch niet dat die enge jongen bij mij op school zit. Ik heb nu Colette bij me, hij kan me niets doen. Ik zit niet meer lekker en ga toch weer rechtop zitten. Alle beelden van gisteren spoken weer door mijn hoofd. Ik wil dit niet, ik moet hier weg, ik heb het gevoel dat ik claustrofobisch wordt. Alles om mij heen begint te draaien en het wordt helemaal zwart voor mijn ogen.