dinsdag 15 februari 2011
Colette
Wiliam
maandag 14 februari 2011
Colette
Sharon
donderdag 10 februari 2011
Colette
dinsdag 8 februari 2011
Wiliam
Nadat we het ziekenhuis hebben verlaten, en Colette hebben achtergelaten bij haar tante en Sharon stap ik weer samen met James in zijn auto. Ik haal mijn neus op. Er hangt hier een vreemd en zeer herkenbaar luchtje. ‘Wat heb je gedaan in de tijd dat je weg liep en ik achter bleef bij Colette?’ ‘Ik heb even een kleine voorraad aangelegd, omdat jij vegetariër wilt worden weet je nog wel? Dit is voor jouw eigen bestwil dat ik even wat bloed heb meegenomen uit het ziekenhuis. Het is er toch in overvloed. Thuis begon mijn voorraad in de kelder op te raken.’ Ik voel me nog steeds niet goed bij het idee dat we vele liters bloed in onze auto hebben liggen, maar ik moet. Het is stom om nu uit te stappen dus laat ik me maar vervoeren. Aangekomen bij het huis zorg ik dat ik weg kom. Het voelt zo verkeerd. Hij doet het voor mij, en dat maakt het nog minder aangenaam. We zijn strafbaar. We hebben bloed gestolen van mensen die het heel hard nodig hebben. Veel harder dan dat wij het nodig hebben. Van mensen die op sterven liggen. Ik hoop bij mezelf dat James niet willekeurig bloed heeft uitgezocht, maar vooral oud bloed of bloed uit een veelvoorkomende bloedgroep. Ik durf het niet te vragen omdat ik bang ben dat hij ziet dat ik het er eigenlijk niet mee eens ben. En dan moet niet. James doet altijd al zoveel voor mij, hij is er voor mij als ik weer eens een moeilijkere periode heb. En dat gebeurt vaak. Ik zit er vaak wel vier tot vijf dagen per week doorheen zodat ik het even helemaal niet meer zie zitten. Het liefst zou ik dan gewoon vertrekken naar de wildernis. Ik heb een vriend, Dean, en hij woont ergens in een verlaten huisje aan de kust. Hij heeft daar een lege kamer staan en ik mag altijd bij hem komen logeren. Ik heb zelfs de sleutel van zijn huisje omdat ik daar de laatste tijd steeds regelmatiger kom. Ook nu is het weer zover. Ik moet weg uit deze wereld, uit dit dorp, uit deze omgeving. School regel ik later wel. Dat is nu even helemaal niet belangrijk. Mijn tas staat altijd klaar, niet dat ik veel mee hoef te nemen maar het is vooral om een illusie te wekken bij Dean. Hij weet het niet van mij, en ik wil het eerst ook zo houden. Ik kan me eerst nog goed inhouden, en ik neem wel enkele van de bloedtabletten mee die ik nog over heb. Nog geen half uur later stap ik in de trein richting de kust van Wales.
zondag 6 februari 2011
James
Sharon
De vrouwelijke conciërge rijdt me naar het ziekenhuis. Hij loopt de eerste hulp binnen en praat met de vrouw achter de balie. Ze wijst op de wachtkamer en ik laat me gewillig meevoeren naar een stoel. Dan vraagt de conciërge of ze iemand voor me kan bellen. Ik denk na, mijn ouders is geen goed idee, en ik zal Colette ook maar niet onnodig ongerust maken. Welk persoon blijft dan nog over die ik hier ken. Ik streep af. Alleen Liv blijft nog over. “Olivia”, zeg ik zachtjes. Ik haal ergens uit mijn tas een nummer tevoorschijn. De conciërge vraagt me hoe zij met me is verbonden, voordat ze het nummer draait. “Ik huur een kamer bij haar in huis. Voor de rest ken ik amper nog mensen hier.” De conciërge draait het nummer en begint te praten tegen degene aan de andere kant van de telefoon, Liv. Ondertussen wordt ik uit de wachtkamer geroepen. Ik kijk even naar de vrouw, maar deze wuift met haar hand. Ik zie dit als teken dat ik gewoon mee moet gaan. Nu zit ik hier helemaal alleen met de arts in een klein kamertje. Hij vraagt me allerlei dingen en ik vertel het verhaal wat ik eerder ook al eens verteld heb. Ik vul dit aan met het advies –eerder een bevel- van de huisarts om, als het steeds vaker gebeurt naar het ziekenhuis te gaan. De arts vraagt naar mijn vorige huisarts en ik geef hem zijn naam en plaats. Hij doorzoekt een computer en gaat dan bellen. Ik vermoed met die huisarts. Even later zet hij me weer in de wachtkamer en zegt hij dat ik door iemand anders weer word opgehaald. Terwijl ik weer zo zit te wachten komt ook Liv binnen. Ze loopt meteen op me af. “Wat is er gebeurd? En ik heb de conciërge gebeld om Colette te waarschuwen.” Ze gaat aan de andere kant van mij zitten, en zegt bot tegen de conciërge dat ze wel kan gaan. Als ik bloed heb geprikt en opnieuw in de wachtkamer zit komt ook Colette binnen samen met de twee jongens die ook in de bus waren, inclusief de engerd die ik niet mag. Gelukkig gaat Colette aan de andere kant van mij zitten. Ik zie Liv nog wat moeilijk kijken, maar uiteindelijk accepteert ze de aanwezigheid van de jongens. Op de uitslag moet ik eerst nog een week wachten. Zuchtend stap ik bij Liv in de auto. Ik heb geen zin meer om nu nog naar school te gaan.
zaterdag 5 februari 2011
Colette
Wiliam
Het eerste uur en het tweede uur had ik de vakken engels en natuurkunde samen met James. Ik merkte aan hem dat hij niet lekker in zijn vel zit vandaag, maar ik vraag het hem vannacht wel. Na de pauze heb ik biologie. Ik weet dat James dat vak niet heeft en ik bereid mij voor op een les alleen zitten. Maar, als ik de klas binnenstap zie ik haar zitten. Het meisje van de bus, het meisje dat ik vanochtend heb getroost, en heb afgeleverd bij haar klas. Ze weet mijn naam nog niet eens, en ik weet de hare ook nog niet. Ik sjok richting haar tafel. ‘Is die plek naast jou nog vrij?’ vraag ik op een vriendelijke toon. Ze knikt, en zucht tegelijkertijd. Wil ze niet dat ik naast haar ga zitten? Of was die zucht ergens anders om. Soms zou ik echt willen dat ik gedachten kon lezen, dan was het meeste veel gemakkelijker geweest in het leven. We raken aan de praat, en ik voel dat ze zich een beetje ongemakkelijk voelt. Het liefst leg ik een hand op haar schouder om haar gerust te stellen, maar ik ben bang dat ze daar alleen maar meer van in de war raakt. Colette, de naam echoot door mijn hoofd. Ik krijg het er niet meer uit. Haar naam, haar manier van praten alles is zo mooi aan haar. Het liefst zou ik haar vanmiddag gelijk meenemen naar allerlei dingen. Ik wil haar veroveren, maar tegelijkertijd roep ik mezelf tot bedaren. Nee, ik moet niet dingen overhaasten. Dat is niet goed. Dat schrikt af, en dan wil ze misschien niets meer van mij weten. Ik moet voorzichtig zijn met wat ik doe. Maar één ding weet ik wel zeker, ik ga James hier eerst niet over vertellen. Dit zijn zaken die hem niet aangaan. Ik wil niet dat hij alles over mij weet, en tegelijkertijd ben ik erg bang dat hij van alles gaat proberen om het proces te versnellen terwijl ik dat niet wil. Dat kan alleen maar tegen mij gaan werken. Ik ga rustig aan doen. En het maakt mij helemaal niets dat we morgen of pas over een half jaar iets krijgen. Ik moet haar niet onder druk zetten. Ik weet van menig andere vrouwen dat ze dan afknappen op diegene die hen onder druk heeft gezet. En dat moet ik niet hebben. Ineens gaat de omroepstem aan. ‘Wil Colette Bardon zich melden bij de conciërge? Ik herhaal: wil Colette Bardon zich melden bij de conciërge?’ Ik kijk opzij. En zie hoe haar gezicht verbaasd, maar toch gespannen staat. ‘Zal ik met je mee gaan?’ Ze denkt na. Zo lijkt het tenminste. Dan knikt ze zachtjes. Ik help haar met het inpakken van haar tas. En we lopen dan samen het lokaal uit. Ik knikte nog even met mijn hoofd naar de lerares die met haar mond vol tanden staat. Als ik achter Colette aan loop de conciërgerie binnen zuchten beide conciërges ergerlijk. Ik leg ze met een blik het zwijgen op. Ik blijf bij de deur staan en kijk toe.
vrijdag 4 februari 2011
Colette
Sharon
Ik heb geen idee waarom het ineens duizelde. Ik heb het één keer eerder gehad, maar toen zei mijn toenmalige dokter dat, als het zich niet herhaalde het niet ernstig was. Dit is ook de reden waarom ik me er nooit meer druk over heb gemaakt, maar nu is weer zo’n moment dat ik flauw val. En vorige week had ik ook al zo’n moment. Ik weet van mezelf dat ik naar het ziekenhuis moet, maar alleen in een wildvreemde stad in een wildvreemd ziekenhuis liggen, zonder dat je ouders bij je op bezoek kunnen komen staat me niet aan. Ik kan weer helder denken, en ik voel de drang om mijn ogen open te doen en gewoon weer te gaan zitten, en net doen alsof er niets aan de hand is, maar er is wel degelijk iets aan de hand. Achter mij hoor ik Colette huilen. Ze is helemaal overstuur. Dan worden er zachtjes woorden gefluisterd bij mijn oor. Ineens begint de bus weer te rijden, ik had nooit gemerkt dat we stil stonden. Als ik een klein klapje op mijn wang krijg moet ik mijn ogen wel open doen. Daar zit hij naast me, over me heen gebogen. Ik schrik, en probeer mijn reacties in bedwang te houden. De rest van de busrit zeg ik niets, en ook op school houdt ik me stil. Ik wil niets van hem weten, hij is eng en heeft me bedreigd. Waarom zou ik hem nou weer dankbaar moeten zij dat hij mij en Colette geholpen heeft. Hij brengt mij naar de conciërgerie, maar in plaats van zelf naar zijn eigen les te gaan blijft hij bij mij zitten. Nee, dit wil ik niet! Hij probeert naar mijn naam te vissen, en naar de reden waarom ik flauw viel, maar ik wil niet tegen hem praten. Hij is het niet waard om tegen te praten. Vijf minuten later komt zijn vriend ook nog binnen. Eindelijk stuurt de conciërge hen weg. Dan zit ik alleen met hem in het hok. Ik kijk stilletjes voor me uit, en ik heb even geen idee wat ik moet zeggen of wat ik moet doen. Even later komt er ook een vrouw binnen, zij lijkt me aardig en is gelijk ook heel erg open naar mij toe. Ik voel mij op mijn gemak en vertel haar het verhaal. Ook dat ik het vroeger wel eens had gehad en dat ik, als het regelmatiger zou voorkomen naar het ziekenhuis moest gaan van de huisarts. Als ik dan ook nog zeg dat ik vorige week ook zo’n aanval had, pakt ze gelijk haar jas, sleutels en tas. Ze helpt mij om op te staan en te lopen. Ik voel me nog steeds erg zwakjes. “Moet ik iemand waarschuwen of moet er iemand mee, Sharon?” Ik kijk even op en denk na. Nee, ik denk niet dat Colette nu met mij mee wil. Ze moet zelf ook weer even op krachten komen. Ik schud mijn hoofd en ga dan zitten in de vrouw haar auto. Ik moet mezelf tegenhouden niet te gaan huilen.
James
Wiliam
Ik ben gespannen voor de busrit naar school. Ik heb geen idee wat ik moet verwachten. Vooral omdat ik half vegetarisch probeer te worden. Ik heb al gedurende week geen mensenbloed meer gehad. En sinds vier dagen helemaal geen bloed gehad. Wat moet ik doen als ik straks helemaal los sla, en mensen begin aan te vallen omdat ik zo’n honger heb. Nee, honger is niet het goede woord. Want psychisch wil ik niet eten, of in mijn geval drinken, maar mijn lichaam snakt ernaar om bloed binnen te krijgen. James heeft mijn zorgen door en geeft mee een klop op mijn schouder. ‘Het gaat wel goed. En anders houd ik je wel tegen.’ Ik glimlach even, maar daarna wordt mijn gezicht weer neutraal. De bus is vroeg, en als de deuren open gaan ruik ik al de geur van zweet, adem, huid en bloed. Ik zoek een plekje op in het midden van de bus bij de tweede deur in de buurt. Zo kan ik altijd vluchten. Halverwege de rit voel ik dat de sfeer veranderd, en nog geen minuut daarna begint een meisje achterin de bus te roepen en te panikeren. Ik kijk eerst met een bezorgd gezicht James aan. Moet ik er naartoe gaan, en hen in gevaar brengen door erheen te gaan, of zal ik gewoon blijven zitten zoals eigenlijk iedereen doet. James geeft een kort knikje met zijn hoofd. Voor mij is dat een teken om uit de bank te stappen en naar achteren te lopen waar het probleem zich afspeelt, op de voet gevolgd door James. Ik heb eerst het meisje dat waarschijnlijk om voor mij nog onbekende redenen is flauwgevallen languit gelegd in het gangpad. Daarna ben ik naast het hysterische meisje gaan zitten. Ik heb een arm om haar heen geslagen en geruststellende woordjes gesust. Eindelijk kwam er voor in de bus ook actie. Een andere passagier heeft de buschauffeur tot stoppen gesmeekt en deze kwam gelijk hierna ook naar ons toe. Ik glimlachte even en knikte naar hem dat wij de zaak zo goed als onder controle hadden. Ik schoof samen met het meisje, twee plekken opzij zodat er ook nog ruimte was voor James en het andere meisje, en ook zaten we nu veel minder in het zicht. Eindelijk kalmeerde het meisje wat, maar ik liet haar niet los. Bang dat ze dan weer uiteen zou vallen in allerlei kleine stukjes. Ik ga door met het fluisteren van kalmerende woordjes. Eindelijk heb ik het gevoel dat ze nu echt binnendringen. Het voelt goed om haar vast te hebben. Ik weet niet wat het is, en eigenlijk ben ik bang voor dit gevoel. Ik ben bang dat het mis gaat, dat het uit gaat lopen op onmogelijke dingen. De bus stopt voor school. Ik loop met het meisje mee de bus uit, en het schoolplein over. Als ik haar naar het lokaal breng merk ik dat niemand op haar afspringt of op haar let. Als ik terug kom zie ik dat James nog met het andere meisje bij de conciërge zit. Zij is nu ook weer helemaal bij kennis, maar ze is zeker een paar minuten weggeweest. Ik stap ook de conciërgerie binnen. En ga erbij zitten. Ik wordt vreemd aangekeken door de conciërges, maar ze gaan niet tegen me in. Bang dat ze daarmee ook het tere meisje beschadigen.
donderdag 3 februari 2011
Colette
Sharon
Mijn wekker gaat. Ik pak mijn mobiel en kijk hoe laat het is. Ik wordt half verblind door het felle licht van het beeldscherm. Haf zeven. Ik probeer na te denken waar ik ook alweer was beland. In een groot huis, met nog een meisje en haar tante wie ik Liv moest noemen. Ik zoek tussen de verhuisdozen, naar de doos met mijn kleding en trek er een spijkerbroek uit, met een simpel basic t-shirt. Vandaag doe ik niet moeilijk. Ik borstel mijn haar en kneed er wat mousse in. Dit was het dan voor vandaag qua aandachts besteding aan het uiterlijk. Ik loop naar beneden en zie dat Liv al aan een gedekte tafel zit te eten. Ik groet haar en ga zitten. Ik heb van gisteren al snel genoeg geleerd dat ik gewoon maar moet doen wat ik denk dat goed is. Al het gevraag werkt alleen maar op iedereen hun zenuwen. Als ik mijn tas heb ingepakt, mijn schoolboeken zijn de enige dingen die niet in dozen lagen opgeslagen, loop ik nog door de keuken om mijn broodbakje er ook in te doen. Dan stapt ook Colette met een slaperig hoofd de keuken in. Ze heeft felle kleding aan, maar bij haar figuur staat het echt leuk. Ik kijk op mijn horloge. Als ik nog vijf minuten wacht dan kan ik samen met Colette naar de bus, en dan weet ik tenminste zeker dat ze vandaag niet weer skipt. Niet dat het mij heel erg uitmaakt, maar het geeft mij een goed gevoel als ik weet dat ze het toch aandurft. Want ik weet zelf ook wel dat het niet alleen maar ziek was. Maar ik ben nog niet achter die andere reden. De vijf minuten worden er zeven, en we rennen samen, ik op mijn pumps, naar de bushalte. Als we daar aankomen komt de bus ook net aangereden. Hijgend ploffen we op de achterbank van de bus neer. Dan beginnen we te lachen. Als het iedere dag zo gaat, dan gaat mijn conditie als een pijl omhoog. Ik schop eerst mijn pumps uit en ga wat relaxeter zitten. Naast mij zit eerst toch nog niemand, en als het druk wordt ga ik wel weer normaal zitten. ‘Daar zitten we dan. In de bus naar school, op naar onze tweede schooldag.’ Colette zucht instemmend. Als er bij de volgende halte een groepje jongens instapt denk ik ineens aan het avontuur van gisteren. Het zal toch niet dat die enge jongen bij mij op school zit. Ik heb nu Colette bij me, hij kan me niets doen. Ik zit niet meer lekker en ga toch weer rechtop zitten. Alle beelden van gisteren spoken weer door mijn hoofd. Ik wil dit niet, ik moet hier weg, ik heb het gevoel dat ik claustrofobisch wordt. Alles om mij heen begint te draaien en het wordt helemaal zwart voor mijn ogen.