zondag 6 februari 2011

James

We liepen met z'n drieën de wachtkamer in. Ik liep achterop. Colette rende bijna en keek koortsachtig om zich heen. Toen ze Sharon zag zitten liep ze snel op haar af. Wiliam volgde haar. Ik twijfelde even. En ging er toen vandoor. Ik moest nog iets regelen hier, zoals ik al gezegd had. Ik vloog de hoek om en keek op de bordjes om te zien waar ik naartoe moest. Kinderafdeling. Nee. Oncologie. Nee. Intensive care. Nope. Waar was die vervloekte afdeling? Toen zag ik iets interessants. Ik was in een uithoek gekomen van het ziekenhuis waar geen kamers meer waren. Dit was vast waar ik moest zijn. Ik liep zo snel dat niemand me kon zien. Toen zag ik een deur waar in grote letters: Bloedbank op stond. Ik grijnsde. Toen zag ik dat de deur op slot zat. Je moest met een pasje de deur open doen. Ik hoopte dat ik nog genoeg kracht had om gedachten te kunnen beïnvloeden. Het was al een tijdje geleden dat ik had gegeten. Ik begon te zoeken naar iemand waarvan ik verwachtte dat diegene een sleutel had. Dat duurde niet lang. Het was een jonge arts, eind twintig gokte ik. Ik liep op haar af. Ze leek totaal verbaasd dat ik hier liep. Ik keek diep in haar ogen en begon met mijn hypnose. Ik zei haar dat ze me de sleutel moest geven, en natuurlijk deed ze dat. Toen vertelde ik haar dat ze moest vergeten wie ik was. Ze knikte dat ze het had begrepen en ik pakte de sleutel van haar over. Toen liep ik terug naar de deur en deed het pasje in de gleuf. De deur ging met een klik open en ik voelde een koude windvlaag. Ik rook het bloed eerder dan dat ik het zag. Het was een enorme koelkast met allemaal verschillende bakken waar zakken met bloed in zaten. Ze konden vast wel wat missen. De reden dat ik dit deed was dat ik wist dat Wiliam geen mensen meer wilde aanvallen. Hij had dit nodig. Op bloedtabletten kon je niet leven, tenminste niet voor lang. Ik liep de koelkast in en zocht wat goeds uit. Ik nam een bak mee en liep weer naar buiten. Ik sloot de deur en nam het kaartje mee. Die zou me vast nog wel eens van pas komen. Toen rende ik naar de auto en stopte de bak erin. Daarna liep ik weer nonchalant naar het ziekenhuis. In totaal had dit ongeveer vijf minuten geduurd. Wiliam keek me even vragend aan, maar ik schudde mijn hoofd. Vragen konden later. Ik zag hoe Colette een discussie had met een wat oudere dame over of ze wel of niet naar school moest. Colette won, zo te zien. Sharon probeerde ondertussen de hele tijd om niet mijn kant op te kijken. Niet veel later vertrokken we apart van elkaar. Wiliam stapte bij mij in de auto. Ik had geen zin meer om naar school te gaan en eigenlijk was het de moeite ook niet meer. We reden naar huis. Wiliam stelde een vraag over de geur die in de auto hing. Het was bloed. Ik vertelde hem wat ik had gedaan in het ziekenhuis en toen we thuis waren legde ik het bloed in een grote koelkast in de kelder. We hadden vooraad.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten