vrijdag 4 februari 2011

Sharon

Ik heb geen idee waarom het ineens duizelde. Ik heb het één keer eerder gehad, maar toen zei mijn toenmalige dokter dat, als het zich niet herhaalde het niet ernstig was. Dit is ook de reden waarom ik me er nooit meer druk over heb gemaakt, maar nu is weer zo’n moment dat ik flauw val. En vorige week had ik ook al zo’n moment. Ik weet van mezelf dat ik naar het ziekenhuis moet, maar alleen in een wildvreemde stad in een wildvreemd ziekenhuis liggen, zonder dat je ouders bij je op bezoek kunnen komen staat me niet aan. Ik kan weer helder denken, en ik voel de drang om mijn ogen open te doen en gewoon weer te gaan zitten, en net doen alsof er niets aan de hand is, maar er is wel degelijk iets aan de hand. Achter mij hoor ik Colette huilen. Ze is helemaal overstuur. Dan worden er zachtjes woorden gefluisterd bij mijn oor. Ineens begint de bus weer te rijden, ik had nooit gemerkt dat we stil stonden. Als ik een klein klapje op mijn wang krijg moet ik mijn ogen wel open doen. Daar zit hij naast me, over me heen gebogen. Ik schrik, en probeer mijn reacties in bedwang te houden. De rest van de busrit zeg ik niets, en ook op school houdt ik me stil. Ik wil niets van hem weten, hij is eng en heeft me bedreigd. Waarom zou ik hem nou weer dankbaar moeten zij dat hij mij en Colette geholpen heeft. Hij brengt mij naar de conciërgerie, maar in plaats van zelf naar zijn eigen les te gaan blijft hij bij mij zitten. Nee, dit wil ik niet! Hij probeert naar mijn naam te vissen, en naar de reden waarom ik flauw viel, maar ik wil niet tegen hem praten. Hij is het niet waard om tegen te praten. Vijf minuten later komt zijn vriend ook nog binnen. Eindelijk stuurt de conciërge hen weg. Dan zit ik alleen met hem in het hok. Ik kijk stilletjes voor me uit, en ik heb even geen idee wat ik moet zeggen of wat ik moet doen. Even later komt er ook een vrouw binnen, zij lijkt me aardig en is gelijk ook heel erg open naar mij toe. Ik voel mij op mijn gemak en vertel haar het verhaal. Ook dat ik het vroeger wel eens had gehad en dat ik, als het regelmatiger zou voorkomen naar het ziekenhuis moest gaan van de huisarts. Als ik dan ook nog zeg dat ik vorige week ook zo’n aanval had, pakt ze gelijk haar jas, sleutels en tas. Ze helpt mij om op te staan en te lopen. Ik voel me nog steeds erg zwakjes. “Moet ik iemand waarschuwen of moet er iemand mee, Sharon?” Ik kijk even op en denk na. Nee, ik denk niet dat Colette nu met mij mee wil. Ze moet zelf ook weer even op krachten komen. Ik schud mijn hoofd en ga dan zitten in de vrouw haar auto. Ik moet mezelf tegenhouden niet te gaan huilen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten